Zakt je zadel scheef? Problemen met de lengtebuiging?

Vaak hoor ik dat het zadel de schuld krijgt als dit het geval is. En inderdaad; bij nadere inspectie blijkt het zadel bij een ruiter die scheef zit of naar één kant zakt niet recht (meer) te zijn; de kussens worden aan de achterkant aan één kant wat puntiger en aan de andere kant wat platter. Dat is dan vaker een gevolg dan de oorzaak van het probleem. Wat niet weg neemt dat een dergelijke scheefheid in het zadel aandacht en correctie verdient, want op een scheef zadel wordt het ook moeilijk recht zitten. En bovendien: de kant die naar de middenlijn zakt (of getrokken wordt) veroorzaakt veel te veel druk op de rugspieren aan die kant, met soms zelfs spieratrofie als gevolg. Een zadel hoort recht te blijven liggen. Dat doet het echter alleen als het paard en de ruiter rechtgericht zijn. Een rechtgericht paard kan naar beide kanten gelijke en voldoende lengtebuiging opbrengen in alle gangen en oefeningen en is min of meer symmetrisch qua bespiering. Als één schouder (vaak de linker) forser ontwikkeld is dan de andere, kan alleen al hierdoor het zadel naar de andere (rechter) kant geduwd worden. Een rechtgerichte ruiter heeft een onafhankelijke zit en voldoende balans om in het midden te blijven zitten. Wist je dat rechtshandige ruiters vaak meer druk uitoefenen op hun linker beugel, deze als het ware meer uitdrukken, met mogelijke gevolgen voor de positie van het zadel? Wist je dat ALLEEN opstappen vanaf een HOGE opstapkruk (1 meter hoog) kortstondig veel te veel druk op de rugspieren rechts naast de schoft (bij opstappen vanaf links) kan voorkómen?

Als een paard niet de benodigde lengtebuiging kan opbrengen gaat de middelpuntvliedende kracht in de bocht of zijgang een rol spelen en wordt de ruiter naar buiten gezet. Heel ervaren ruiters zullen desondanks hun balans in het midden kunnen bewaren, maar voor velen zal het een probleem zijn.

Onderdelen van het al of niet rechtgericht zijn van het paard:

  1. Veel paarden zijn "links- of rechtshandig"; dat wil zeggen dat ze een dominante schouder hebben: hèt voorbeen waar ze graag op willen vallen. Dat kun je soms zien doordat ze aan die kant een plattere, wijdere hoef hebben, soms een wat forser ontwikkelde schouder en vaak een wat forser ontwikkelde M. temporalis; de kauwspier die links en rechts op het voorhoofd van het paard zit. Vooral als het paard (nog) vooral op de voorhand loopt en (nog) weinig draagt met de achterhand merk je hierdoor links- rechts verschillen. Als de dominante schouder de buitenschouder is valt het paard graag naar buiten en met de dominante schouder als binnenschouder naar binnen. Als linksvoor dominant is kan linksom daardoor makkelijker aanvoelen. Ook wordt de linker teugel dan vaak sterker aangenomen, wat je uiteindelijk terugziet in die forsere M. temporalis aan die kant.
  2. Vrijwel alle paarden hebben een sterker, dragend, achterbeen en een zwakker, stuwend, achterbeen. Dat kun je vaak zien doordat de bekkenhelft van het sterkere achterbeen iets hoger komt in stap en draf dan die van het zwakkere achterbeen. Soms, in meer uitgesproken gevallen, is zelfs het bekken ook bij vierkant staan behoorlijk asymmetrisch. Dat sterkere achterbeen inclusief die bekkenhelft heeft iets meer buiging dan het andere achterbeen. Daardoor hangt het heupgewricht van het sterkere achterbeen ook iets hoger dan dat van het zwakkere, waardoor het iets korter de grond raakt. Bij paarden die hier niet in gecorrigeerd worden, rijtechnisch (altijd nodig) en chiropractisch (vaak nodig), kan dit verschil zo groot worden dat je echt een korte en een lange pas ziet in stap en soms zelfs in draf. Als het rechter achterbeen het sterkere achterbeen is zal het paard rechtsom makkelijker (aan) galopperen en makkelijker te verzamelen zijn op het rechter achterbeen. Je merkt al: vanwege punt 1 kan het zijn dat je paard makkelijker linksom draaft maar vanwege punt 2 makkelijker rechtsom galoppeert...
  3. Veel paarden buigen in hun wervelkolom iets makkelijker de ene kant op dan de andere. Meestal makkelijker linksom dan rechtsom. Het kan zijn dat het paard vanaf z'n geboorte makkelijker links dan rechts buigt in de wervelkolom. Realiseer je echter dat de mens, als trainer en begeleider van het paard, daar een uitermate belangrijke rol in speelt. Want van veulen af aan loopt men links naast het dier, laat het daardoor ook een benodigde wending gemakshalve linksom maken, zadelt het paard vanaf de linkerzijde op en stapt ook links op . Bij elke bocht worden de lange rugspieren aan de binnenkant aangezet tot (veel) hogere activiteit en die aan de buitenkant juist ontspannen. Ook alleen al door het lopen links van het paard hanteren veel paarden een geringe linker lengtebuiging. Door altijd links te lopen en linksom te draaien train je de rugspieren dus om makkelijker de linker dan de rechter lengtebuiging aan te nemen. De linker rugspieren raken beter ontwikkeld, zijn meer aangespannen en daarmee vaak ook korter. Daardoor ontstaat een vicieuze cirkel; de rechter buiging wordt steeds moeilijker, omdat de rechter rugspieren minder ontwikkeld zijn en relatief te slap om die steviger, kortere linker rugspieren te laten rekken.

Daarnaast is er een aantal lichamelijke oorzaken te benoemen in het paard die de lengtebuiging kunnen beperken, zoals blokkades in de CTO (cervico-thoracale-overgang), in één of beide SI-gewrichten, in de hoofd-hals-overgang, het tongbeen en/ of de kaakgewrichten (wat vaak veroorzaakt wordt door gebitsproblemen, drukpunten van het hoofdstel of een niet passend bit) en blokkades in de (overige) wervelkolom. Ook kunnen (subtiele) kreupelheden dergelijke beperkingen of blokkades veroorzaken.

Succesvol en prettig paardrijden is kortom een puzzel met veel stukjes, waarbij regelmatige begeleiding door ten minste een deskundige instructeur, zadelpasdeskundige, bitfitter, chiropractor, paardenarts, paardentandarts en hoefsmid onmisbaar is.